20 april 2026

De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 april 2026 kan niet zonder meer worden bestempeld als een overwinning of een nederlaag voor makers. Op papier lijkt het hof een middenweg te kiezen: de verplichting om een vergoeding te betalen voor muziek die in audiovisuele producties wordt gebruikt, verdwijnt niet, maar geldt ook niet langer automatisch.

De werkelijke impact ligt echter niet in deze juridische afweging op zich, maar in de manier waarop deze in de praktijk zal uitpakken.

De kern van de uitspraak is het beginsel dat rechthebbenden (makers en producenten) recht hebben op één enkele vergoeding voor hun bijdrage aan een synchronisatie, dat wil zeggen het koppelen van muziek aan beeldmateriaal. Met andere woorden: dubbele betaling moet worden voorkomen. Als er al een vergoeding is betaald of overeengekomen op het moment dat de muziek met beeldmateriaal wordt gesynchroniseerd, is er bij een latere uitzending geen aanvullende vergoeding verschuldigd. Als er geen sprake is van een dergelijke vergoeding, kan er nog steeds een vergoeding verschuldigd zijn.

Op papier is deze redenering begrijpelijk. In de praktijk schuift de rechtbank de last van het probleem helaas echter ergens anders neer.

De hamvraag is nu wie moet aantonen of de betaling al heeft plaatsgevonden, en die vraag blijft onbeantwoord.

Dit blijft niet zonder gevolgen. Om te bepalen of er nog steeds een vergoeding verschuldigd is, moeten de partijen de afspraken die bij het tot stand komen van een audiovisueel werk zijn gemaakt, opnieuw bekijken. In de praktijk is die informatie vaak moeilijk te achterhalen. Contracten zijn niet altijd eenduidig, afspraken kunnen al vele jaren oud zijn en vooral bij internationale producties is de relevante informatie vaak verspreid over verschillende partijen.

Gelukkig hebben we onze klanten en partners altijd aangeraden om in elke opdracht duidelijke bepalingen inzake licenties op te nemen. Zo wordt onduidelijkheid voorkomen over het feit dat de rechten voor openbare uitvoering en uitzending nog steeds apart via Sena moeten worden geregeld.

Het resultaat is een systeem dat op papier misschien haalbaar lijkt, maar in de praktijk moeilijk uitvoerbaar blijkt te zijn.

Naar onze mening is in deze uitspraak onvoldoende rekening gehouden met de praktische realiteit van de sector.

Daardoor verschuift de discussie. Het gaat niet langer alleen om de vraag of er een vergoeding verschuldigd is, maar of kan worden aangetoond dat aan de verplichting al is voldaan. Hierdoor komt er meer nadruk te liggen op de feitelijke onderbouwing van vorderingen.

Voor makers betekent dit dat een vergoeding minder vanzelfsprekend wordt. Het is daarom van essentieel belang dat synchronisatielicenties duidelijk aangeven welke rechten en gebruiksvormen precies onder de licentie vallen. Het recht op een vergoeding blijft bestaan, maar de toepassing ervan wordt minder uniform en hangt in toenemende mate af van vooraf gemaakte contractuele afspraken.

De uitspraak betekent dan ook niet het einde van de discussie, maar veeleer het begin van een nieuwe fase. Hoewel het juridische kader is aangescherpt, blijft de praktische toepassing ervan onduidelijk. Gezien de vragen die deze uitspraak oproept, lijkt een verdere procedure bij een hogere rechter onvermijdelijk. Tijdens de recente ledenvergadering van de Sena is bekendgemaakt dat er inderdaad cassatieberoep zal worden ingesteld bij de Hoge Raad.

Een procedure bij het Hooggerechtshof kan vaak jaren in beslag nemen. We hopen dat de sector tot een eerlijke tussentijdse oplossing zal komen, die recht doet aan alle makers, inclusief degenen die werkzaam zijn in de muziek voor de media, en aan hun producenten.

Wordt vervolgd.